Schade en spel - wat wij van Josje leren

01/02/2026
Josje werd gevonden op een plek waar geen enkel dier gevonden zou moeten worden: koud, kletsnat, en zo stil dat men even dacht dat ze al niet meer leefde. Haar kleine lijfje trok in piepkleine schokjes bij elke ademhaling, alsof elke teug lucht pijn deed. Haar oogjes zaten dichtgeplakt van de niesziekte, haar neusje verstopt, haar borstkas zwaar en krakend. Het was geen kwestie van "of" maar van "nog net op tijd".

De dierenarts fluisterde bijna, zo voorzichtig werd er over haar gesproken. Ze zou het overleven… maar de schade in haar lijfje bleek onomkeerbaar: één oogje bleef dof en troebel. En haar longen en neusje wilden niet zonder hulp vrij ademen.

Twee keer per dag moet Josje nu stomen, zodat het slijm dat vastzit in haar borstkas en neus los kan komen.

En toch… hoe breekbaar ze ook is, ze weigert zielig gevonden te worden.
Want Josje maakt er haar eigen spel van.

Als het tijd is om te stomen, probeert ze zich te verstoppen. Niet omdat ze het niet wil, maar omdat ze zó graag speelt. Dan zie je haar troebele oogje glinsteren in een streepje licht, haar kleine lijfje schuilend achter een tafelpoot. Even lijkt ze een gewone, gezonde kitten die kattenkwaad uithaalt.

En zodra ze wordt “gevonden”, begint ze hard te spinnen. Dan stapt ze zelf naar de aërosol, alsof ze begrijpt dat het haar helpt.

Daar zit ze dan, in haar neveltje, trillend maar dapper.
Een katje dat alles al heeft moeten meemaken, nog vóór het echt mocht leven.
Een klein lijfje met blijvende littekens — maar met een hartje dat weigert op te geven.